Kinderopvang Gremlins maakt onderscheid tussen het pedagogisch beleidsplan en het pedagogisch werkplan. Het pedagogisch werkplan is gebaseerd op ons pedagogisch beleidsplan.  

Het algemene pedagogisch beleidsplan van Gremlins, is voor alle vestigingen gelijk. Zo wordt er voor gezorgd dat achtergronden van waaruit gewerkt wordt dezelfde zijn. Daarnaast heeft elke vestiging een eigen pedagogisch werkplan die op de locatie is gericht, deze ligt ter inzage op locatie en die kunt u bijvoorbeeld bij een intake en rondleiding lezen.

Het pedagogisch beleidsplan van Gremlins is gebaseerd op de vier competenties, zoals zij genoemd worden in het kwaliteitsconvenant van de branchevereniging, MO groep en de belangenvereniging Ouders in de Kinderopvang (BOINK).

In het pedagogisch beleidsplan lichten wij onze visie op pedagogisch handelen en onze doelen toe. Een uitgebreide beschrijving van onze werkwijze treft u aan in ons pedagogisch werkplan.

Wij zijn ons er van bewust dat een pedagogisch beleidsplan nooit af is. Het is een voortdurend proces van vernieuwing en verbetering.

Het gaat om permanent nadenken over wat wij voor de kinderen willen bereiken. Daarnaast is het voor de ouders duidelijk waar Gremlins voor staat en wat wij belangrijk vinden in de opvoeding van de kinderen.

De vier competenties:

1. Sociale veiligheid

2. Sociale competenties

3. Persoonlijke competenties

4. Overdracht van normen en waarden

Indien u het volledige pedagogisch beleid wilt inzien, dan kunt u dit aangeven op de betreffende vestiging. 

Wij baseren ons handelen op zes interactievaardigheden. Deze interactievaardigheden leggen we hieronder kort uit aan de hand van een aantal voorbeelden.

1. Sensitieve responsiviteit. Wij letten goed op de signalen van kinderen en wat hen bezighoudt. We stimuleren ze wanneer ze geïnteresseerd en enthousiast zijn. We proberen te verwoorden wat ze voelen en vragen naar hun gevoelens en gedachten. We praten mèt de kinderen, en niet tegen de kinderen. Dit doen we door veel bij de kinderen op de grond (ooghoogte) te zitten en door ze regelmatig om hun mening te vragen. Indien mogelijk nemen we de inbreng van de kinderen mee, of leggen uit waarom het niet mogelijk is om iets te doen. Ook betrekken we de ouders erbij om erachter te komen als een kind zich niet begrepen of gehoord voelt.

2. Respect voor de autonomie van het kind. We stimuleren de kinderen om zoveel mogelijk zelf te doen. We laten ze zelf ontdekken en bieden de kinderen de gelegenheid om zelf te kiezen. We bieden alle kinderen de ruimte om zichzelf te zijn. Dit betekent dat een kind naast gezellige gezamenlijke activiteiten, ook alleen mag spelen wanneer het daar behoefte aan heeft. Ook geven we kinderen de ruimte om hun eigen (autonome) emoties te hebben. We streven natuurlijk naar vrolijke en blije kinderen, maar vinden dat ze ook boos of verdrietig mogen zijn. Door veel naar de kinderen te kijken en bijzonderheden met elkaar en ouders te bespreken, kunnen we kinderen snel helpen als ze ergens tegen aan lopen. De mentor van het kind neemt het kind dan onder haar hoede en begeleidt het kind zo lang als nodig. Hierbij valt te denken aan de komst van een nieuw broertje of zusje of frustratie die soms komt kijken bij een kindje dat een sprongetje in de ontwikkeling maakt. We passen het dagprogramma of dagelijkse routines aan als dat even in het belang van het kind is.

3. Structureren en grenzen stellen. Wij bieden structuur en continuïteit. We hebben bijvoorbeeld een vast dagritme en vaste pedagogisch medewerkers. We benoemen de regels en afspraken op de groep en leggen uit waarom we deze regels en afspraken hebben. We bieden een alternatief bij ongewenst gedrag; bijvoorbeeld; ‘Ga maar vragen of je daar mee mag spelen, in plaats van het af te pakken.’ om de kinderen zo een positievere richting op te sturen. We dragen belangrijke waarden en normen over aan de kinderen door zelf een goed voorbeeld te zijn. Zo wachten we even met eten tot iedereen iets heeft, praten we niet door elkaar heen, zijn we aardig tegen elkaar en houden we rekening met elkaar.

4. Praten en uitleggen. We benutten continu situaties om met de kinderen in gesprek te gaan. We vullen deze gesprekjes aan met extra informatie en herhalen wat de kinderen zeggen in de juiste bewoording. We leggen uit wat we doen en waarom. We benoemen wat de kinderen zien en doen. We lezen de kinderen veel interactief voor. Dit doen we door veel open vragen te stellen tijdens het voorlezen of gesprekjes aan te gaan over de onderwerpen van de boekjes.

5. Ontwikkelingsstimulering. Wij stimuleren de ontwikkeling van de kinderen op verschillende manieren. We vragen ons hardop af hoe iets werkt, of waarom iets op een bepaalde manier verloopt. We doen prikkelende beweringen zoals ‘jouw jas past mij vast ook wel’. We stimuleren de kinderen waar mogelijk om dingen zelf te doen. Denk hierbij aan het zelf aankleden of bijvoorbeeld zelf een boterham smeren. We spreken gevarieerd en nét boven het niveau van de kinderen om hen een zo breed mogelijk taalaanbod te bieden.

6. Begeleiden van (positieve) interacties tussen kinderen. We zorgen ervoor dat kinderen zich veilig en vertrouwd voelen met elkaar. We merken interacties op tussen kinderen en reageren positief op (spontaan) positief contact tussen kinderen onderling. We stimuleren gesprekjes tussen de kinderen en dus niet alleen tussen de kinderen en de pedagogisch medewerkers. We creëren bewust situaties waarin kinderen samen spelen, delen en elkaar helpen. De kinderen spelen vaak in kleine groepjes en krijgen hierdoor meer een veilig gevoel. We leren de kinderen om zowel verbaal als non-verbaal met ons en de andere kinderen, te communiceren. We stimuleren de kinderen dus om naar anderen te kijken en hierop te reageren.